De authentieke en tijdloze wereld van Ralph Lauren
november 2025
RL/Cultuur

Vallei X

Een geheime plek waar skiën nog precies is zoals het ooit was.
Door Nick Paumgarten
Er is een afgelegen vallei in de Zwitserse Alpen die niet zoveel skiërs en toeristen trekt als de bekendere of duurdere omliggende skigebieden. Laten we het Vallei X noemen, in de mysterieuze, verleidende stijl van de oude surf- en skimagazines. Het heeft geen iconische bergtop – geen Matterhorn, Jungfrau of Mont Blanc – en kent geen decadente geschiedenis vol glamour zoals Gstaad of St. Moritz. Haar charme – grotendeels onaangetast – is nog niet gaan schiften door de destillaten van onze moderne excessen. En toch is ook hier het landschap duizelingwekkend groots: de met sneeuw bedekte vergezichten zijn gelaagd en lijken naar elkaar toe te trekken, verbijsterend voor geest en ogen. De gletsjers lijken vanuit de hemel op aarde te tuimelen. Dorpen lijken zich aan de berghellingen vast te klampen, terwijl kerkklokken hun uren luiden. Vanuit smalle bergweggetjes – die als linten door wijngaarden en langs watervallen slingeren – waaieren oude liftsystemen alle kanten uit. Toegegeven, de aanblik van Vallei X lijkt op een ansichtkaart, maar dan van een tot dusver onbekend landschap. Een jaar of vijf geleden was ik er met mijn zoon en een oudgediende – een Amerikaanse vriend, een schrijver – die als kind een aantal jaar in Zwitserland woonde. In zekere zin was Vallei X zíj́n geheim, en dus zijn het ook zijn toekomstige gezelschap en vriendschappen in deze bergen die ik probeer te beschermen. Mijn zoon was zeventien, sterker dan ik. We begonnen onze tocht in een rustig vakantiedorp, in een kleine kabelbaan zonder andere passagiers. Het was een doordeweekse ochtend begin maart. Er lag verse sneeuw, zo'n vijftien centimeter, en de stormwolken trokken op, waardoor steile rotskammen en komvormige hellingen zichtbaar werden – plekken waaraan je een decennium zou kunnen besteden om ze echt te leren kennen. Ik overdrijf niet als ik zeg dat er die dag misschien maar een tiental andere skiërs waren. Als je eenmaal bij de machines uit de buurt was, klonk de stilte bijna beangstigend. We namen een Teller-sleeplift, zo'n ouderwetse sleeplift waarbij je in je eentje de berg op glijdt, met de ski's op de sneeuw, een metalen stang tussen je benen en een schijf zo groot als een saladebord tegen je billen. Hij bracht ons naar de top van een uitgestrekte alpenweide, als een binnenzee, met een helling die flauw genoeg was om de verse poedersneeuw tot aan onze skischoenen te voelen, maar niet diep genoeg om de harde onderlaag te raken. We gleden in de breedte over de helling en maakten wijde, snelle bochten. Dit was geen gemarkeerde piste. De helling werd steiler en stuurde ons door een bos van oude alpendennen, waar we ons een weg zochten tussen de bomen en we de druïden van het bos ontweken. Er volgden nog een paar afdalingen, terwijl we lachten om ons geluk en het zeldzame alleen-zijn.
“Je kon afdalen van een bevroren bergtop naar een bloeiende boomgaard zonder ooit je ski's los te klikken, zelfs niet om een strook gras over te steken of om over prikkeldraadhekken heen te stappen.”
Mijn vriend had ooit op deze manier leren skiën van zijn moeder, niet ver hier vandaan – een halve eeuw geleden. Ik leerde het van mijn vader, een paar dalen verder naar het oosten, ongeveer in dezelfde periode. Met 'op deze manier' bedoel ik: buiten de gemarkeerde pistes, terwijl we het terrein en het lawinegevaar lazen en naar de helling met de beste condities zochten. Niet veel mensen deden dat destijds. “We haf a look,” zoals de Zwitserse berggidsen zeggen. Het was mooi en magisch – niet alleen om over de maagdelijke sneeuwvelden te zoeven, maar om de leegte te verkennen, de hoogtezones en stilte, en de subtiele veranderingen van sneeuw, gesteente, licht, uitzicht, vegetatie en sfeer te ervaren. Je kon afdalen van een bevroren bergtop naar een bloeiende boomgaard zonder ooit je ski’s los te klikken, zelfs niet om een strook gras over te steken of om over prikkeldraadhekken heen te stappen. Het skiën is tegenwoordig een populairdere liefhebberij. Het materiaal is beter; de sneeuw is schaarser. Bij onze derde afdaling stopten we bij het spoor van een pistenbully. Het was twee uur 's middags, bijna tijd om in te checken bij het hotel. We plakten onze skins onder de ski's – strips die voorkomen dat je achteruitglijdt als je bergopwaarts loopt – en begonnen aan de klim. Eerst door het bos, daarna een uitgestrekt keteldal in. We zweetten en praatten, tot we zwegen en een meditatief ritme vonden. Na een uur klommen we steiler, via kronkelpaden, tot boven de boomgrens. De hemel trok open en de sneeuwvlaktes leken het blauw en koraal van de lucht te omarmen. En toen we over een richel heen konden kijken, zagen we het hotel – gelegen aan de rand van een steile afgrond en half gehuld in mist, duizenden meters boven het dal van de vallei. Het gebouw, te herkennen aan zijn roomkleurige stucwerk met kleine houten ramen en een puntig loden dak, was vier verdiepingen hoog en ruim anderhalve eeuw oud – een ruwe, afgelegen echo van de Belle Époque-stijl die ooit in deze streek floreerde. We klikten onze ski's los op het terras met uitzicht op het dal, bestelden een rondje bier, en dronken ze terwijl de zon achter een verre bergkam verdween en ons zweet langzaam opdroogde. Binnen leidde een lange stenen gang ons naar een van de verdiepingen met knusse, krakende kamers, waar de muren en vloeren van oud dennenhout waren. Aan het eind van de gang, boven aan een trap van uitgesleten leisteen, lag een gemeenschappelijke badkamer. Er leken geen andere gasten te zijn. Alsof we op de een of andere manier in een tijdmachine waren beland, en we vroegen ons af of het er spookte. We douchten en trokken comfortabele truien aan uit onze rugzakken. Daarna dronken we een cocktail in de bar, en mijn zoon en ik speelden een paar potjes schaak in een met hout afgewerkte zitkamer. Het diner, in een lege eetzaal met grote ramen, bestond uit hert, rösti en zuurkool, met een glas gekoelde Fendant – de lokale witte wijn. Beneden fonkelden lichtjes in het dal. “De volgende keer,” zeiden we, “nemen we een smoking mee.”

NICK PAUMGARTEN is vaste redacteur bij The New Yorker en auteur van The Intangibles, een memoire over ijshockey die in het najaar van 2026 verschijnt bij Penguin Press.