De authentieke en tijdloze wereld van Ralph Lauren
november 2025
RL/Cultuur

Mijlpalen

Wie het Westen ooit heeft meegemaakt vanaf de achterbank van een stationwagen, zal nooit meer dezelfde zijn.
Door Michael Hainey
We trokken naar het Westen in de zomer van '73. De Badlands. De Grand Tetons. De Dakota's. Er was geen plek waar we niet probeerden te komen, niets dat we niet wilden zien. Het was het idee van de buren. “Zijn de jongens ooit in het Westen geweest?”, vroegen Paul en Carol aan mijn moeder, die mijn broer en mij alleen opvoedde. Het was een ouder stel, ergens in de zestig, en nadat mijn vader een paar jaar eerder was overleden, waren ze in ons leven gestapt – een soort surrogaatgrootouders voor ons, en beste vrienden voor mijn moeder. “Je jongens moeten het Westen zien,” zei Carol. “Wij gaan naar Montana, om vrienden te bezoeken. Jullie moeten mee. Tijd in het Westen doet een jongen goed.” Ik was negen die zomer, mijn broer elf, en een week later zaten we met z'n vijven in een gehuurde Chevrolet Impala stationwagen uit 1972. Paul zat achter het stuur terwijl we het vlakke Chicago achter ons lieten, en stuurde ons de I-80 op, in de richting van de Mississippi. Daar reden we de grote, wijde uitgestrektheid in: over eindeloze prairies, langs uitgestrekte akkers met bescheiden huizen waarvan de veranda's aan de horizon oplichtten. Op naar de Rockies en verder. We reden 1500 kilometer in twee weken: van Nebraska naar Yellowstone, van Wyoming naar de Dakota's, met talloze stops onderweg. In Alda, een stip op de kaart, konden we de diepe groeven aanraken die de wielen van huifkarren hadden achtergelaten, waarmee dromers uit het oosten in 1849 op weg gingen naar het goud van Californië. Later, in de Badlands, zwierven mijn broer en ik over door de wind geteisterde heuvels op zoek naar pijlpuntjes, maar we vonden er geen. Het maakte niets uit. Overal wachtte het avontuur op ons, groot en klein. Spookstadjes in Colorado. Oog in oog met Mount Rushmore. Een rodeo bij maanlicht in Wyoming. IJsco's bij Wall Drug in South Dakota.
Daar reden we de grote, wijde uitgestrektheid in: over eindeloze prairies, langs uitgestrekte akkers met bescheiden huizen waarvan de veranda's aan de horizon oplichtten. Richting de Rockies en verder.
En er was ook nog een middag in West-Montana, op de graanboerderij van Billy, een vriend van Paul en Carol. Hij vroeg mijn broer en mij of we wilden helpen met het oogsten. Ik zat naast hem in de cabine van zijn grote, ronkende dorsmachine, tot hij hem tot stilstand bracht, glimlachte, en zei dat ik maar in de laadbak van de oude kieptruck moest springen, die naast ons reed om het gedorste graan op te vangen. Ik dook op de hoop graan en lag plat op mijn rug, starend naar een blauwe hemel zoals ik die nog nooit eerder had gezien, terwijl het graan als regen op me neerklaterde. Jaren later zijn er nog steeds nachten waarop ik terugkeer naar die herinnering. Een manier om mijn gedachten tot rust te brengen. Toch, als ik terugkijk, zie ik dat mijn herinneringen van die reis niet alleen gaan over waar we heen gingen, maar juist ook waarméé. Want een roadtrip – zeker door het Westen – draait niet alleen om de landschappen die je doorkruist, maar ook om de wagen waar je in rijdt. Misschien zelfs nog meer. De auto vormt het kader van onze reizen en ervaringen. Mijn moeder, mijn broer en ik lachen nog steeds om die Impala stationwagen uit '72 – met stoelen van groen vinyl – waarin we naar cassettes van Neil Diamond en John Denver luisterden. Mijn broer en ik kropen om beurten achter in het kleine hoekje – een knus plekje tussen de koffers en de koelbox, waar we nummers van MAD Magazine lazen. We lachen ook nog om die nacht dat we bijna zonder benzine kwamen te staan, op een verlaten stuk snelweg onderweg naar Casper, Wyoming. Het was de zomer van de oliecrisis, en we rolden op de laatste dampen, kort voor middernacht, de parkeerplaats van onze Holiday Inn op. Toen Paul de motor uitzette en opgelucht op het dashboard klopte, tuimelden we allemaal uit de auto en juichten in koor: “Dank je wel, machtige Impala!” – terwijl onze stemmen verdwenen in de donkere vlakte achter de lichten van de parkeerplaats. Als schrijver leer je dat een plek een personage is. Maar onze auto’s zijn dat ook. Geen wonder dat we ze namen geven, zoals een paard of een boot. Toen John Steinbeck zijn epische rit van Sag Harbor naar Monterey en weer terug maakte – een tocht die hij vastlegde in zijn prachtige boek Travels With Charley – kocht hij een GMC-pickup, zette er een camperopbouw op, en doopte hem Rocinante, naar het trouwe paard van Don Quichot. We laten ons allemaal inspireren door roadtrips, echte of denkbeeldige, en door de auto's die ervoor worden gebruikt. Hoeveel mensen dromen er niet van om mee te liften met Dean Moriarty in zijn Hudson Commodore uit 1949 uit On the Road? Of om bijrijder te zijn in de Thunderbird uit 1966 van Thelma & Louise, die even legendarisch is als de vrouwen die hem bestuurden? Paul en Carol hadden gelijk – tijd in het Westen doet een jongen goed. Maar ik durf te wedden dat dat voor iedereen geldt. Want wie eenmaal een roadtrip heeft gemaakt door die uitgestrekte, indrukwekkende landschappen, zal de wereld nooit meer zien zoals daarvoor. De perfecte auto brengt je niet alleen naar de plek waar je naartoe wilt; ze voert je mee.

MICHAEL HAINEY , writer at large bij Air Mail, is auteur van de New York Times-bestseller After Visiting Friends.