De authentieke en tijdloze wereld van Ralph Lauren
november 2025
RL/Cultuur

Bootcamp

Cowboylaarzen zijn wereldwijd een symbool van vrijheid en avontuur – en iedereen kan ze dragen. Dus waarom had de auteur er zo'n dubbel gevoel bij?
Door Shannon Adducci
Ik was zeven jaar toen mijn opa, Doc, me meenam om mijn eerste paar cowboylaarzen te kopen. We gingen naar Home of Economy in Williston, North Dakota, een winkel waar paardenvoer, zadels en tractoronderdelen naast spijkerhemden en cowboyhoeden werden verkocht. De laarzen hadden hun eigen hoek, netjes in rijen opgesteld tegen een wand met nephouten lambrisering. In het midden van de ruimte stonden bankjes waar schuine spiegeltjes aan gemonteerd waren, bedoeld om de laarzen te bekijken tijdens het passen. Destijds, toen ik opgroeide in de buitenwijken van Michigan, ging mijn stijlvoorkeur meer richting wat Madonna zou hebben gedragen, of anders iets wat ik had gezien in de Vogue's van mijn oma. Ik koos een paar Tony Lamas: felrode leren laarzen met Western-stiksels, precies de kleur en stijl van het moment, toen de kalender van de jaren tachtig langzaam werd omgeslagen naar de vroege jaren negentig.
De laarzen waren opvallend, behoorlijk gewaagd zelfs voor Williston, een klein oliestadje vlakbij de grenzen met Montana en Canada, waar mijn ouders waren opgegroeid en mijn grootouders sinds de jaren 60 woonden. Het stadje – links en ten noorden van Lake Sakakawea, waar de Yellowstone River uitmondt in de Missouri en canyons plaatsmaken voor prairie – heeft diepe wortels in de pioniersmentaliteit, ontstaan uit het leven van eigen land van de late 19de eeuw. Immigranten, voornamelijk uit Scandinavië, trokken er in de jaren 1880 naartoe, gewapend met een onverzettelijke arbeidsethos en het vermogen om bittere kou en eenzaamheid te doorstaan. Hun droom was om van de vruchtbare maar ruige grond – die verder niemand anders wilde – hun thuis te maken. Tegenwoordig staat Williston vooral bekend als een boomtown, een snelgroeiende stad. Olie- en gaswerkers druppelen binnen om maandenlang op de olievelden te werken, voordat ze met een flinke loonstrook weer naar huis gaan. Die vergankelijkheid voedt een mentaliteit van werken, werken, weinig spelen. Westernkleding wordt er puur uit noodzaak gedragen, zonder ironie. Stijl is meestal maar bijzaak, of toeval. Alles wat als luxe wordt beschouwd – zelfs door degenen die het zich kunnen veroorloven – wordt vaak als frivool bestempeld. Mijn opa dacht daar anders over.
Cowboylaarzen vind je overal en tekenen in elke cultuur en elk landschap even scherp af als een bergpanorama of een boerderij op een hooggrasprairie.
“Goede keuze,” zei hij vanzelfsprekend, terwijl ik mezelf in de spiegel bewonderde en me een echte Material Girl voelde. Doc was vanuit de South Side in Chicago naar Williston gekomen om als arts aan de slag te gaan, omdat men er dringend een erkend gynaecoloog-verloskundige nodig had. Als stadsjongen – en de enige met Italiaans-Amerikaanse roots in de wijde omtrek – viel hij op: een echte stedelijke cowboy in zijn eigen spaghettiwestern. Doc droeg graag sterlingzilveren riemgespen en bolodassen (sommige van Navajo origine, andere van naburige Lakota-stammen), gecombineerd met leren of suède colberts en gilets, en gladde laarzen met Cubaanse hak. Meer Dallas dan Dakota: een eigenzinnige invulling van 'country' in het hoge noorden. Toch had mijn opa zich zijn stadse-jongen-wordt-cowboy-stijl volledig eigen gemaakt. Van hem leerde ik de kracht van cowboylaarzen: ze kunnen opgaan in de massa, of juist opvallen, het hangt er maar net van af hoe (en waar) je ze draagt. De praktijk leerde me iets anders: mijn rode laarzen waren te chic om tijdens het werk op de familieboerderij te dragen, waar we te paard door de ondiepe ravijnen van het landschap trokken. Sterker nog, ik had nauwelijks de kans om ze in te lopen. Al snel waren ze te klein en belandden ze in de kledingbak. Maar rond die tijd was ik al begonnen aan mijn ontdekkingsreis naar de transformerende kracht van mode: hoe ze iemands achtergrond kan benadrukken of juist verhullen, of hoe mode zelfs een schone lei kan bieden. Ik geloofde in het idee dat je bent wat je draagt. En ík had de ambitie om in New York te gaan wonen; niet om in North Dakota te blijven hangen. Er gingen decennia voorbij voordat ik nog eens aan die middag bij Home of Economy dacht. Tegen die tijd werkte ik als moderedacteur in New York. Mijn hele volwassen leven had ik alles vermeden wat een country-look had: ik was een meisje uit de stad, en in mijn garderobe was geen plaats voor landelijke nostalgie of cowgirlfantasieën. Noch voor iets dat mijn afkomst zou verraden. Cowboylaarzen, zelfs de meest elegante uitvoeringen, riepen die sobere prairiewereld van mijn jeugd weer op – en van dat verleden wilde ik maar één ding: afstand nemen. Totdat een garderobedefect – een paar jaar geleden in Parijs nota bene – me tijdens de Fashion Week plots terugbracht. Met pijnlijke blaren van het dagenlang op deftige ballerina's heen en weer rennen tussen modeshows en mijn hotel aan Place de la Madeleine, trok ik een paar stevige, betrouwbare zwarte cowboylaarzen aan die ik impulsief had ingepakt... ik weet nog steeds niet waarom. Toen ik de straat op ging, was ik me er aanvankelijk pijnlijk bewust van hoe Amerikaans ik eruitzag, ondanks mijn pogingen ze te verbergen (met een getailleerde jas en wijde jeans – alleen de spitse neuzen van de laarzen waren zichtbaar). Tot ik merkte hoeveel Parijzenaars ze óók droegen – elk op hun eigen manier, net als mijn opa. Cowboylaarzen, zo blijkt, vind je overal en tekenen in elke cultuur en elk landschap even scherp af als een bergpanorama of een boerderij op een hooggrasprairie. Nu hoef ik, waar ik ook ben, alleen maar met mijn Cubaanse hakken te klikken om me thuis te voelen.

SHANNON ADDUCCI is auteur en redacteur, werkzaam tussen New York City en de Catskill Mountains.