Ik heb nog nooit, als ik wakker word in Montana, een slechte dag gehad. Onder die eindeloze hemel, in dat prachtige landschap, belooft er altijd iets mooi te gebeuren. In de tijd dat ik nog een beginnend hengelaar was, reed ik helemaal vanuit New York naar Big Sky Country (beter bekend als Montana) in mijn Saab – een auto die ik uiteindelijk, geloof het of niet, inruilde voor een vliegvishengel. Omdat vissen het enige doel was, vond ik het niet erg om te overnachten in motels waar de televisie met een ketting aan de muur vastzat. Een keer viste ik tot laat en dacht ik bij de eerste de beste gelegenheid langs de snelweg te kunnen overnachten. Een grote vergissing, want uitgerekend die avond voerde de zoon van Evel Knievel een waanzinnige motorstunt uit in de buurt. Uiteindelijk belandde ik in een logeerkamer achter een Mexicaans restaurant. Dat is een fout die je maar één keer maakt. Maar uiteindelijk word je ouder, en ontgroei je het motelleven. Ik werd verliefd op twee ware iconen van de staat die niet alleen het gevoel van Montana's grandeur oproepen, maar ook van haar excentriciteit en uitgesproken karakter. Het eerste icoon is Chico Hot Springs, een resort dat boven het dorpje Emigrant in Paradise Valley ligt, waar de Yellowstone River langs veeboerderijen en met sneeuw bedekte bergen stroomt. Dit is het gebied van de beroemde bronnen en beekjes waar je het hele jaar door kunt vissen. Chico Hot Springs, een geliefd hotel, is voor de meeste mensen alles tegelijk, waardoor het bijna altijd is volgeboekt.
Het hotel heeft de ontspannen sfeer van een groot landhuis. Overdag lijkt het soms uitgestorven, iedereen is er dan op uit, aan het wandelen of vissen. Het voelt alsof het er altijd al is geweest (het opende haar deuren in 1900). Het hoofdgebouw heeft eenvoudige kamers, de douche bevindt zich verderop in de gang. Zelf geef ik de voorkeur aan de rustieke houten hutten: een paar smalle bedden, wat haken aan de muur, meer heb je eigenlijk niet nodig. Ze doen me denken aan andere vissershutten, en aan het huisje van mijn familie in Wisconsin. De saloon is donker, zonder pretenties. Het is een plek waar je liever een biertje drinkt dan een zorgvuldig geroerde martini. Ik heb er mensen ontmoet – het in eerste instantie meestal over vissen – en voor je het weet is het middernacht en gaat de zakflacon rond. De warmwaterbronnen zijn het fijnst als het buiten kouder wordt, je wegzakt in het hete water terwijl de avondlucht afkoelt, en de forel die die dag van je haak glipte langzaam uit je gedachten verdwijnt. Bij een raam kun je drankjes bestellen zonder terug naar binnen te moeten – er staat altijd een rij, wat alleen maar bijdraagt aan het feestelijke gevoel. Bij Chico's is iedereen goed gezind, alsof ze weten dat ze op de juiste plek zijn.
Ik keek naar de sterrenhemel en luisterde naar het kabbelende water van Rock Creek in de duisternis.
Als je verliefd wordt op een bestemming, wil je vanzelfsprekend op den duur de volgende stap zetten naar de meest verfijnde versie van die ervaring. Zo belandde ik een eindje verderop, hoger op de heuvel, bij The Ranch at Rock Creek, een van de betere hotels waar dan ook. Zodra je de oprijlaan naar het imposante hoofdgebouw opdraait, weet je dat je gearriveerd bent. Het landgoed strekt zich uit over meer dan 2600 hectare aan beide kanten van Rock Creek, een uitnodigende zijrivier van de Clark Fork-rivier. De eerste keer dat ik er was, kwam ik puur om te vissen – en toevallig viel dat precies samen met de beroemde uitvliegperiode van de salmonfly, een soort steenvlieg. Maar vooral de gastvrijheid maakte diepe indruk op me. De lobby is mijn droomkamer: een stenen open haard, donkere houten bar, textiel gedrapeerd over leren banken. Ik nestelde me met een koud glas riesling, en wat zag ik daar? Er stond een schaal warme chocoladekoekjes – met een snufje zeezout – klaar voor de gasten. Ik verbleef in een canvas tent met houten vloer, noem het gerust rustiek voor heren. Ik had mijn eigen hottub, keek naar de sterrenhemel en luisterde naar het kabbelende water van Rock Creek in de duisternis. Ik kon mijn geluk nauwelijks bevatten.
The Ranch at Rock Creek heeft alles wat je van een luxe hotel verwacht: een spa, een met stenen omzoomd zwembad, een bubbelbad. Maar ik moet het toch even hebben over de bowlingbaan. Boven de banen hangen afbeeldingen van cowboys en die zetten de toon. Je gaat bowlen met vrienden, en voor je het weet raak je met onbekenden aan de praat – de open bar helpt daar natuurlijk bij. Het is verbazingwekkend hoe gezellig het is. Ik ben nog altijd twintig dollar schuldig aan een man uit North Dakota, omdat hij en zijn vrouw mijn team – bestaande uit zijn schoonmoeder en ik – verslagen hebben. Ik probeerde hem te betalen, maar hij weigerde beleefd (toevallig was hij van top tot teen in RL gekleed).
Voor de meeste gasten draait het echter niet om bowlen, maar om paardrijden. Zelf klim ik zelden in het zadel, maar de paarden zijn zo prachtig dat ik ze elke ochtend even probeer te bekijken als ze over de velden galopperen, richting de houten arena. Daarna loop ik naar de indrukwekkende zadelkamer en bewonder de rijen leren zadels die aan de muur hangen. Tijdens een van mijn bezoeken lunchten we aan een lange gedekte tafel die over de volledige lengte van de houten brug stond opgesteld. Aan een van de uiteinden stonden vioolspelers en overal stonden vazen met wilde bloemen. Plots begon de band Happy Birthday te spelen voor de chef-kok, die vanuit het niets opdook op een fiets en, precies op de maat, over de brug reed om het kaarsje op zijn taart uit te blazen. Wat kun je nog meer zeggen over zo'n plek? Montana is een plek waar het dagelijks leven zich afspeelt op een schaal die groter voelt dan waar dan ook. Daarom is het vertrek altijd weemoedig – en de terugkeer des te euforischer.
DAVID COGGINS is auteur van The Believer: A Year in the Fly Fishing Life en de New York Times-bestseller Men and Style. Hij schrijft ook de nieuwsbrief The Contender.