Het is nog vóór zonsopkomst in de Mojavewoestijn. Stel je een hut voor – niet veel meer dan een blokkendoos – een van de duizenden jackrabbit homesteads, pioniershuisjes in het Westen van de VS: overblijfselen van de Small Tract Act van 1938, een lang vergeten overheidsprogramma dat 'waardeloze' stukken federaal land toekende aan Amerikanen met lef en dromen. “Kom naar San Bernardino County, trek vier muren op (van minimaal 18 vierkante meter), leg er een dak op, en claim je hectares.” Veel van deze hutten, zo niet de meeste, zijn inmiddels vergane glorie of als brokstukken teruggekeerd naar de aarde. Hier en daar vind je nog wat roestig ijzer en vervallen metselwerk waar ratelslangen, woestijnratten en coyotes hun thuis van hebben gemaakt. Maar in deze homestead brandt nog licht. Ik leun over een klein fornuis met drie pitten, gehuld in een lange donsjas en versleten pantoffels van schapenvacht, en warm veulenmelk op. Ik sta in een gemeentevrij stuk van de woestijn, voorbij alle verharde wegen, omdat ik zes jaar geleden mijn eerste zonsopkomst in het Amerikaanse Westen meemaakte – en mezelf sindsdien heb beloofd zoveel van dat licht te zien als mijn leven me toestaat. In het zuiden, tussen het huisje en de grens met Joshua Tree National Park, rijzen twee kliffen van verweerd graniet ter hemel. Nu nog een blauwe waas in het vroege ochtendlicht, maar straks, onder de felle middagzon, kleuren ze diepzwart. In het noorden strekt zich een uitgestrekte bak met leeg zand uit, omzoomd door een van de jongste vulkanische velden van het land. Ik sta gekluisterd aan het fornuis – met de slaap nog in mijn ogen – mezelf op te warmen, omdat er buiten een ongepland mustangveulen van zes dagen oud staat, de uitkomst van een reeks onvoorziene gebeurtenissen die zich ontvouwden nadat mijn partner en ik deze hut hebben betrokken. De moeder van het veulen kan niet genoeg melk geven.
De mustang. Een 'levend symbool van de geschiedenis en pioniersgeest van het Westen', aldus een wet die in 1971 door het Amerikaanse Congres werd aangenomen en die de dieren wettelijk beschermt en hun populatie in stand probeert te houden. Wat nationale iconen betreft, zouden we evengoed een jong van een Amerikaanse zeearend in een schoenendoos kunnen grootbrengen. De liefde van mijn leven slaapt nog in de andere kamer (er zijn er maar twee) na de nachtdienst voor het veulen. Je staat tot aan je laarzen in honderden jaren geschiedenis van het Amerikaanse Westen, en ongeacht je plannen – wat je ooit had willen schrijven, of op had willen bouwen – op dit moment doen ze er niet toe. Het Westen heeft je nu nodig aan dit fornuis, zodat zijn jongste telg kan overleven. Ik loop tussen de muren van cactussen en vlinderbloemen door, over de veranda, naar de paardenren. Claudine, zoals we haar hebben genoemd, weegt 18 kilo en is niets dan benen – een kleine tarantula met een paardenhoofd. Ik giet de helft van de melk in een bak, de rest laat ik in de pan, want als de melk afkoelt, weigert ze te drinken.
“Wat nationale iconen betreft, zouden we evengoed een jong van een Amerikaanse zeearend in een schoenendoos kunnen grootbrengen.”
Dit is het land van de countryzanger Marty Robbins: 'Saddle Tramp' en 'Cool Water' zijn de soundtrack van onze dagen. Het plan was eigenlijk alleen maar om paard te kunnen rijden, maar toen kwam Claudine in ons leven. Mijn gevlekte mustang noemde ik Petit Poisson nadat een oude cowboy zei: “Bij deze moet je de teugels niet te strak aanhalen, je moet hem binnenhalen als een vis.” Het is een Amerikaanse Paint met een schofthoogte van 140 cm, die niet meer dan tachtig kilo kan dragen, inclusief zadel. Ik heb littekens op mijn schouder van de eerste keer dat hij me van zich afgooide, maar hij blijft het mooiste wezen dat ik ooit heb gezien. Je ruikt de creosootstruiken alleen als het regent – en dat gebeurde afgelopen jaar twee keer. Na de eerste regen kroop er een schorpioen, zo groot als mijn handpalm, onder het huis vandaan en dronk het water dat door een smalle groef in het hout van de gevel stroomde. Het voelde alsof ik een wonder aanschouwde. Claudine heeft hulp nodig, vingers die haar snuit naar de drinkbak begeleiden. Ze briest in de melk en spettert mijn jas wéér onder met de kleverige en geurende aanmaakformule. Ik vlei haar, alsof ze een peuter is die haar groenten weigert te eten. “Drink maar. Groei maar. Word maar groter dan ik ooit zal zijn.” Later vergeet ik hoeveel slapeloze dagen en nachten er op deze manier voorbijgingen. Op een dag begint ze hooi te eten. Als ze rent – wat ze al vanaf haar tweede dag op aarde doet – bokt ze met haar achterste benen in de lucht en kijkt dan naar ons voor goedkeuring, die we haar vol vreugde geven. In de Mojavewoestijn zijn planten niet met een seizoen getrouwd: ze bloeien als het regent. Een schildpad kan een half jaar zonder water. Creosootstruiken klonen zichzelf, en wanneer het binnenste sterft ontstaan daaromheen cirkels met jongere struiken – zo oud als het Westen, zo oud als de mustang. Claudine bokt keer op keer water uit de drinkbak de woestijn in, en elke dag steken kleine bloemetjes uit het zand omhoog om de plekken te markeren waar haar hoeven de dag ervoor sporen hebben achtergelaten. In dit soort landschappen kan een mens zich nietig voelen – op een plek waar een paard van zes dagen oud duizend jaar oud lijkt. We zijn geen van allen experts – nog niet. Maar sommigen van ons zullen ooit cowboys worden. Op de betonnen vloer liggen cactusstekken die ik nog in potten moet zetten om ze te laten wortelen. Zelf leef ik in mijn cowboylaarzen; mijn partner loopt op blote voeten, voor niets bang. Dit noemen we thuis.
RAE DEL BIANCO is voormalig veehoudster en auteur van de roman Rough Animals.
More from
Cultuur
Vallei X
Een geheime plek waar skiën nog precies is zoals het ooit was.