De authentieke en tijdloze wereld van Ralph Lauren
april 2025
RL/Cultuur

Toen klein nog groots was

Een ode aan de hoge klasse en lage kosten van de modernistische strandhut.
Door Paul Goldberger
Mijn ideaalbeeld van een perfecte zomer is altijd geweest: elke maandag in juli en augustus naar mijn huis in Amagansett rijden, en elke vrijdag weer terug naar New York. Het loopt nooit helemaal zoals gepland, dus als het dorp en het strand me te veel worden, ga ik naar Louse Point – een smalle landtong tussen Gardiner’s Bay en de inham Accabonac Harbor – waar alles bijna nog is zoals het was toen ik meer dan veertig jaar geleden voor het eerst naar het oosten van Long Island kwam. Kleine kinderen springen er in het water of zoeken naar schelpen op het strand. Kajakkers en paddleboarders scheren over het water, en zelfs als het druk is, heerst er een verrassende stilte. En als ik naar Louse Point ga, is het niet het uitzicht over het water dat me het meeste vreugde bezorgt, maar het zien van het huis op palen – ontworpen door een architect die vandaag de dag nauwelijks herinnerd wordt, maar wiens werk terugvoert tot een tijd vóórdat The Hamptons hun ziel verkochten aan hedgefondsjongens die menen dat een behoorlijk gezin van vier de zomer niet door zou moeten hoeven te brengen in een huis met minder dan 1500 vierkante meter woonoppervlak, een zwembad van 25 meter en een tennisbaan.
BOVEN WATER
Bovenaan, het huis op palen van Robert Rosenberg, als je Louse Point binnen komt rijden; daaronder Gorman House, ontworpen door Julian en Barbara Neski, gelegen aan het strand in Amagansett.
De naam van de architect was Robert Rosenberg, en van zijn werk is niet veel overeind gebleven. Maar dit huis, niet veel meer dan een klein chalet, is nog steeds zoals het was, meer dan 70 jaar nadat het in 1954 werd gebouwd. Het heeft geen zwembad, of garage, of spa – het heeft überhaupt niet veel – behalve het prachtige uitzicht over Accabonac Harbor in de ene richting en Gardiner's Bay in de andere. Het interieur bestaat grotendeels uit open leefruimte, verheven boven de begane grond om een fraaier uitzicht te verwezenlijken, maar ook, vermoed ik, omdat de architect destijds al wist wat wij nu pas ontdekken in het tijdperk van klimaatverandering: namelijk dat baaien en inhammen kunnen overstromen, en huizen aan het water veiliger zijn als het water eronderdoor kan stromen. Het huis is eigenlijk een moderne hut, stijlvol en funky tegelijkertijd, en het is duidelijk dat het zo is geplaatst dat de bewoners uitzicht in alle richtingen hadden. Ze kunnen ook gezien worden, en dat vind ik misschien wel het allermooiste eraan: in een tijd waarin veiligheid boven alles lijkt te gaan en bijna elk strandhuis verborgen ligt achter enorme heggen en automatische poorten, staat dit huis juist pontificaal in het zicht – waar iedereen ernaar kan kijken. Het huis is bijna arrogant in zijn bescheidenheid, onverschillig voor de pretentie van privacy, als een man die zonder gêne in zijn zwembroek een restaurant binnenwandelt, omdat dat nu eenmaal is hoe het op het strand hoort. Dit huis heeft niets te verbergen.
Kleine kinderen springen er in het water of zoeken naar schelpen op het strand. Kajakkers en paddleboarders scheren over het water, en zelfs als het druk is, heerst er een verrassende stilte.
STRANDBOEK
Het boek dat het definitieve verhaal van het modernisme van The Hamptons in beeld brengt, is Weekend Utopia van Alastair Gordon, dat in 2026 opnieuw wordt uitgebracht.
Er zijn mensen die heimwee hebben naar de boerenkraampjes van The Hamptons en mensen die nostalgisch terugverlangen naar het softijs van de Snowflake of de tijd dat parkeren in East Hampton niet nóg moeilijker was dan in Manhattan. Ik mis zoveel andere huizen die dezelfde sfeer ademden als het huisje op Louse Point, waarvan er ooit tientallen bestonden, zoals het huis dat de Franse architect Pierre Chareau ontwierp voor Robert Motherwell, gemaakt van een Quonset-hut – een halfronde prefab schuilplaats uit de Tweede Wereldoorlog. Een aantal andere favorieten van me waren het Pinwheel House van Peter Blake – zo genoemd omdat de buitenste gevelpanelen naar buiten konden schuiven waardoor het op een windmolentje leek – of de huizen van architecten zoals Andrew Geller en Julian en Barbara Neski, die strandchalets bouwden in The Hamptons die zich onderscheidden door zowel hun strakke geometrische ontwerp als hun eenvoudige bescheidenheid. Maar bijna alle moderne huizen in het oosten van Long Island in de decennia na de Tweede Wereldoorlog waren bescheiden; dat was de hele essentie. Het beroemde huis dat Charles Gwathmey in 1965 voor zijn ouders bouwde, en dat zijn carrière lanceerde, kostte $ 35.000. Het is ontworpen als een ode aan de natuur en aan het buitenleven – vooral in de zomer. Dit waren geen landhuizen maar paviljoens – een kritiek op de imposante, Shingle-stijl huizen van een eerdere generatie in The Hamptons – want wie wilde die grote oude schuren van vroeger nog hebben?
MOMENTEN VAN STABILITEIT
Van linksboven: het Reese House van Andrew Geller en zijn Esquire Weekend House, een niet-uitgevoerd ontwerp uit 1958; een architectonische tekening van het Pinwheel House, ontworpen door Peter Blake; kunstenaar Robert Motherwell in het huis dat Pierre Chareau bouwde van een Quonset-hut; Charles Gwathmey voor het huis dat hij in 1965 voor $35.000 bouwde voor zijn ouders in Amagansett.
Van boven naar beneden: het Reese House van Andrew Geller en zijn Esquire Weekend House, een niet-uitgevoerd ontwerp uit 1958; een architectonische tekening van het Pinwheel House, ontworpen door Peter Blake; kunstenaar Robert Motherwell in het huis dat Pierre Chareau bouwde van een Quonset-hut; Charles Gwathmey voor het huis dat hij in 1965 voor $35.000 bouwde voor zijn ouders in Amagansett.
Nou bleek het zo te zijn dat mensen die huizen wel wilden – zodra ze rijk werden. En dat was een beetje het probleem, want het merendeel van de bescheiden moderne woningen uit de naoorlogse jaren bleek te zijn gebouwd op waardevol onroerend goed, dat zo’n 60 of 70 jaar eerder voor een prikkie was aangeschaft. Het werd bijna een trend in The Hamptons om zo’n klein paviljoen op te kopen en af te breken, omdat het de perfecte locatie was voor een McMansion. En zo moest het huis van Motherwell plaatsmaken voor een chalet in een soort van Adirondack-stijl – en daarnaast vele andere woningen – zodat mensen hun kavel konden gebruiken om er enorme, met shingles beklede villa’s met zadeldaken, airconditioning en keukens, die een diner voor 200 gasten konden bereiden, neer te zetten. Het authentiek moderne maakte plaats voor het niet-authentieke oude; dat is de paradox van de architectuur in The Hamptons. Er zijn nog altijd tal van charmante kleine woningen over uit de jaren vijftig, zestig en zeventig, maar ze verdwijnen in rap tempo – vooral die op de meest begeerde kavels lopen het grootste risico. De architect met het meeste geluk is misschien wel degene wiens klanten zich destijds geen toplocatie konden veroorloven – diens huis zou zomaar de tand des tijds kunnen hebben doorstaan. Toch dook er recent een bijzonder verhaal met een goed einde op – over een subliem Miesiaans paviljoen van hout en glas, gelegen in het chique Georgica in East Hampton. In 1962 ontworpen door Paul Lester Wiener, in opdracht van Robert en Ethel Scull. Toen het enkele jaren geleden te koop kwam te staan, maakte de toplocatie het tot een vrijwel geheide kandidaat voor sloop. Het werd opgekocht door Lisa Perry – een ontwerpster, verzamelaar en filantroop – die het restaureerde en transformeerde tot het Onna House, een galerie voor vrouwelijke kunstenaars. Het is het succesverhaal van een architectonische redding. Maar er kwam wel veel hedendaags Hamptons-geld bij kijken om de architectonische bescheidenheid van The Hamptons te bewaren die we verloren hebben.

PAUL GOLDBERGER is een Pulitzerprijs-winnend architectuurcriticus en de auteur van talrijke boeken, waaronder Why Architecture Matters en Ballpark: Baseball in the American City.