In verf opgezet
De auteur – sportman, natuurliefhebber en kunstenaar – wilde een schouwspel vastleggen dat maar weinig mensen ooit hebben gezien: de schitterende pracht van de grootste wildvissen op volle zee.In verf opgezet
De auteur – sportman, natuurliefhebber en kunstenaar – wilde een schouwspel vastleggen dat maar weinig mensen ooit hebben gezien: de schitterende pracht van de grootste wildvissen op volle zee.
De auteur heeft recent zijn loods in Connecticut omgebouwd tot het atelier van zijn dromen: de begane grond (hierboven) kan dienst doen als galerij, terwijl de bovenverdieping een soort natuurlijk geventileerde archiefkast is voor zijn vele ideeën, die – in tegenstelling tot wat het lijkt – methodisch zijn opgestapeld.
01
Gigantische blauwvintonijn, Cape CodEnkele jaren geleden, nadat ik de hele wereld had rondgereisd om de vele verschillende forelsoorten te schilderen, begon ik met het documenteren van grote exemplaren van specifieke oceaanvissen, gebaseerd op unieke vissen waarvoor ik heb gereisd om ze te zien. Ik wilde ze zien – blauwvintonijn, marlijn, zwaardvis – in hun levendigste kleuren en ze levensgroot op een groot stuk papier schilderen met elementaire materialen en primitieve gereedschappen: gemalen minerale pigmenten gesuspendeerd in een in water oplosbaar bindmiddel zoals Arabische gom (verhard sap van de acaciaboom); grafiet; papier van katoen- en houtpulp; penselen met een houten handvat en een kwast van dierenhaar. Gaandeweg wijzigde ik de aanpak en paste ik me aan: ik mengde mica in poedervorm met de verf om andere effecten te realiseren, zoals de weerspiegelende glans op sommige van deze vissen.
Sinds mijn jeugd documenteer ik dingen in de natuur door ze van dichtbij te observeren, in het begin enkel gewapend met potlood. Het was en is mijn persoonlijke manier om de wereld te onderzoeken, hoe ik door het leven navigeer. Het specifieke doel is nooit nauwkeurigheid geweest, of het maken van een geïdealiseerde versie van een soort zoals ze in veldgidsen te vinden zijn. Ik weet niet zeker wat het doel is, áls er al een specifiek doel is, behalve het vastleggen van wat ik voel en wat ik zie, in een poging – of het nu op een berg, de oceaan of een rivier is – om de tijd stil te zetten, om de illusie van eeuwigheid te creëren in een veranderende wereld.
Ik ben al heel lang gek op vissen, misschien omdat ik het medium waarin ze leven zo verraderlijk en mysterieus vind. Water reflecteert onze wereld naar onszelf als we naar het oppervlak kijken, terwijl het verbergt wat eronder gebeurt. In de oorsprong en geschiedenis van het tekenen – het omzetten van een driedimensionale wereld naar een tweedimensionaal oppervlak – waren water en de spiegelende kwaliteiten ervan waarschijnlijk leerrijk.
Boven: het schilderij van Prosek van een drie meter lange tonijn; beelden gemaakt tijdens de reis waarop hij de vis schilderde.
Meestal zien mensen tekeningen van vissen in een veldgids, waar een enkele afbeelding van een marlijn of een zwaardvis op veel kleinere schaal een hele soort moet vertegenwoordigen – een geïdealiseerde versie van een eenheid van biodiversiteit. Door ze levensgroot te schilderen, met al hun individuele schubben en littekens – visuele getuigen van wat resteert van hun leven in de oceaan – wilde ik een statement maken tegen de beperkingen van alledaagse communicatie. Ik wilde de fragmentatie benadrukken waaraan we de natuur onderwerpen wanneer we de wereld benoemen en ordenen. Dit was mijn manier om te rebelleren tegen de kaarten die we maken om te navigeren, om ons eraan te herinneren dat die kaarten nooit het gebied kunnen zijn dat ze beschrijven – en dat ze dat ook nooit zullen zijn.
De aantrekkingskracht van oceaanvissen heeft tot de verbeelding gesproken van meer dan één schrijver, waaronder Ernest Hemingway en Zane Grey, maar ook Elizabeth Bishop in haar gedicht 'The Fish' en Amerikaanse kunstenaars zoals Winslow Homer, met sublieme schilderijen als The Gulf Stream. Maar het is opmerkelijk, gezien wat de mensheid weet, of denkt te weten, dat de levensgeschiedenis van deze grote vissen nog steeds grotendeels een mysterie is, en afbeeldingen ervan op schaal, die vastleggen hoe het voelt om ze van dichtbij te zien, zijn zeldzaam. Er zijn maar heel weinig mensen die intieme ervaringen met deze vissen hebben gehad, en daar is een goede reden voor. Het kost behoorlijk wat moeite en tijd – en niet te vergeten een beetje geluk – om ze te zien.
Mijn geluk begon in 2004. Mijn moeder woonde in Chatham, Massachusetts, en zoals moeders dat doen, vertelde ze een man – de eigenaar van een Citgo-tankstation in de stad – over haar zoon die aquarellen van vissen schilderde. De eigenaar, geboren in Cape Cod en luisterend naar de naam Norman St. Pierre, was ook tonijnspotter. De foto's die hij aan de muur had geplakt met daarop een boot vol blauwvintonijnen, groter dan de mensen, was wat het gesprek had aangewakkerd. Als spotter vloog hij met een klein Cessna-vliegtuigje over de oceaan op zoek naar de gigantische blauwvintonijnen, terwijl een vissersboot beneden op zijn instructies wachtte. Zodra hij via de radio de locatie van een school doorgaf, stuurde de visser de motorboot naar de vissen om ze met harpoenen te doorboren. Mijn moeder gaf Norman een exemplaar van mijn eerste boek Trout: An Illustrated History, en zijn reactie was opmerkelijk. Hij bood niet alleen aan om me mee te nemen in zijn vliegtuig, maar ook om te regelen dat ik met de harpoenier op de boot mee mocht. Dat was een geweldig cadeau. Commerciële vissers staan er niet om bekend om willekeurige burgers uit te nodigen in hun zeer besloten wereld, waar ze kunnen observeren wat ze doen.
Die zomer reed ik naar Chatham en vloog ik met Norman mee, die me de zee vanuit de lucht liet zien. Hij wees me op reuzenhaaien en zeeschildpadden, dolfijnen en bultruggen, en de met zeehonden bezaaide zandbanken bij Monomoy Island die in de daaropvolgende jaren grote aantallen Atlantische witte haaien zouden aantrekken. Ik bracht drie dagen door in de lucht met Norman en twee op het water met een vissersteam van vader en zoon, met wie hij samenwerkte. Tijdens het laatste uur van de laatste dag op de Cape zag Norman een school reuzentonijnen van gemiddeld zo'n 350 kilo en hij loodste de boot erheen. (Destijds kon zo'n exemplaar meer dan 10.000 dollar opbrengen aan de kade, om vervolgens geveild te worden op de vismarkt van Tsukiji in Japan.) Toen we dichterbij kwamen, rende de vader naar het einde van het boegplatform – een lang platform dat voor de boeg uitsteekt – terwijl zijn zoon aan het roer stond, en harpoeneerde in een kort, met adrenaline gevuld moment, twee vissen neer. Toen de vissen aan dek werden gehesen, pulseerden ze met licht, een licht dat reflecteerde en danste als poollicht op hun huid, dynamisch als een olievlek op het wateroppervlak.
Hoe kon ik dit reeds vergankelijke moment vastleggen – waar het levenslicht van de vissen het licht van de zon ontmoette, zonder tussenkomst van het wateroppervlak? Er was natuurlijk niet maar één manier, want wat ik ook zou maken, het zou een persoonlijke interpretatie zijn. Niet alleen van deze individuele vis, maar van de ervaring van het zien van de vis en een reflectie van mijzelf in de vis – een autobiografie en een portret, een moment van leven in de ruimte als getuige van het heengaan van een formidabel dier. Toch ging ik aan de slag en terwijl we op de motor terugvoeren naar de haven in Barnstable, begon ik te meten, te schetsen, aantekeningen te maken en zag ik de kleuren met het leven verdwijnen. Dat alles zou, na terugkomst in mijn atelier in Easton, Connecticut, in de daaropvolgende maanden resulteren in een aquarel van 3,5 meter lang.
02
Blauwe marlijn, Kaapverdische EilandenDe op marlijn varende kapitein met wie ik correspondeerde, Peter B. Wright, vertelde me dat de Kaapverdische eilanden, ongeveer 650 km ten westen van Senegal, dé locatie bij uitstek waren om een grote blauwe marlijn te kunnen zien en dat de vissers die hij begeleidde gewoonlijk hun vangst hielden om aan de lokale bevolking te geven. Op deze manier kon ik de vissen levend in hun element zien en tijd met ze doorbrengen buiten het water.
We reisden in 2011 naar Kaapverdië met twee Amerikaanse vissers die door Peter waren overgehaald om deel uit te maken van onze missie: een grote marlijn vinden die ik kon schilderen. Ik hoefde de vis niet zelf te vangen en vond het net zo leuk om te observeren. Bij het vissen op marlijn is de boot zelf het eerste lokaas. Peter zweerde dat bepaalde boten meer vis uit de diepte lokten omdat het geluid van hun motor, plus de lucht die ze in het water laten circuleren met de schroef, het kielzog en de luchtbellen, een gemaakte boog vormde die de aandacht van de marlijnen trok.
Waarom zou er anders plotseling een zoekende bek van een eenzame marlijn boven het wateroppervlak verschijnen, heen en weer zwaaiend als een bezemsteel van een heks, zich schijnbaar distantiërend van de vissen eronder? Dit soort mysteries vulden de momenten en uren van stilte met speculatieve gesprekken. Zowel bij het sportvissen als bij de commerciële tak is er op een vissersboot vaak veel dode tijd waarin je van de ene naar de andere plek moet varen om de vis te zoeken, de lijnen uit te zetten, de lijnen te controleren en het aas te verversen. Peter kwam uit Fort Lauderdale en hield wel van een praatje – vandaar zijn bijnaam 'Lauderdale Lips'. Met hem gingen de lange uren aangenaam voorbij.
In de wereld van het big-game vissen had Peter meer tijd op het water doorgebracht op zoek naar marlijn: van de Azoren tot Noord- en Zuid-Carolina, van Kaapverdië tot Cairns – en waarschijnlijk heeft hij meer 'granders' (een marlijn van meer dan 450 kg) gevangen zien worden dan wie dan ook. Dus toen hij ons tijdens een van die rustige momenten vertelde dat hij ooit een blauwe marlijn had gezien die hij op 1350 kg schatte, een vis die groot genoeg zou zijn om een volwassen zeeschildpad in zijn geheel op te slokken, gelóófden we hem, of wílden we hem in ieder geval geloven. Het record voor een met hengel en lijn gevangen blauwe marlijn was ongeveer 635 kg en het record voor een zwarte marlijn ongeveer 680 kg. Visserslatijn hoort erbij als je gaat vissen.
Een foto van de Kaapverdische eilanden voor de kust van Senegal; Prosek's marlijngids, Peter B. Wright, aan het vissen in zijn jongere jaren.
Grote marlijnen zijn erg sterk. Er komt gespecialiseerd materiaal bij kijken, het vergt veel ervaring om met ze te vechten en ze binnen te halen – en het is niet zonder risico. Peter vertelde ook verhalen over de ongelukken die kunnen gebeuren als mensen in de clinch raken met grote wezens die ze beter met rust kunnen laten. Eerste stuurlieden slaan soms overboord wanneer de monofilamentlijn of draadgeleider per ongeluk om een arm of enkel wikkelt, waarna ze de diepte in worden getrokken. De vis daalt en daalt, terwijl ze allebei gelijktijdig hun einde vinden, zinkend en tuimelend naar de bodem.
Na vijf dagen van zulke verhalen, terwijl we acht tot tien uur in de zon en de zoutnevel in de weer waren met teasers, kunstaas en aas, hadden we nog maar één keer beet gehad: een grote marlijn. Helaas leek het erop dat de lijn zich waarschijnlijk om zijn staart gewikkeld, waardoor het bijna onmogelijk was om de vis uit de diepte omhoog te halen. Na een uur aan de lijn moesten ze hem lossnijden.
We verlengden de trip met een dag en net als in Cape Cod vingen we pas in het laatste uur de vis die ik hoopte te zien. Een prachtige vis van ongeveer 350 kg werd aan de haak geslagen en na een gevecht van ongeveer 40 minuten lag hij in de boot. Het was een prachtig beest, ongeveer 4 meter lang. Het werd het onderwerp van mijn grootste schilderij tot op heden en maakt nu deel uit van de permanente collectie van het New Britain Museum of American Art.
Wat ik me pas de laatste tijd, nu ik ouder word, besef, is dat het moment waarop ik altijd heb gevonden dat deze vissen er het mooist uitzagen – wanneer ze de overgang maakten van hun element naar dat van ons, van water naar lucht, verlicht door hun eigen interne licht en kleuren én door de zon – ook het moment was waarop ze overgingen van leven naar dood. Dat Peter vorig jaar zelf op 79-jarige leeftijd overleed, zal daar ook wel mee te maken hebben.
03
Zwaardvis, Nova Scotia
Zwaardvissen hebben ongebruikelijk grote ogen, waardoor ze op grote diepte kunnen foerageren; vergelijking met de foto die de inspiratie vormde voor het schilderij; en hieronder maakt Prosek aantekeningen aan boord van een vissersboot.
Er zijn maar een paar plekken op de wereld waar de omstandigheden zodanig zijn dat zwaardvissen naar het oppervlak van de oceaan komen en gespot en geharpoeneerd kunnen worden. Eén van de traditionele plekken is Georges Bank, een legendarisch visgebied ten zuiden van Nova Scotia in Canada en ten oosten van Cape Cod in de Golf van Maine. Zwaardvissen moeten warmer water aan het oppervlak opzoeken om een mechanisme in hun hersenen op te warmen waarmee ze in diep, koud water kunnen zien en foerageren. Als het wateroppervlak erg koud is, zoals in het verleden bij Georges Bank het geval was, moeten de vissen letterlijk het wateroppervlak doorbreken en hun kop blootstellen aan de zon. Daarbij stellen ze ook hun rugvin en staart bloot aan de lucht, waardoor ze gemakkelijk te spotten en te harpoeneren zijn.
In juli 2010, nadat ik al een paar jaar had geprobeerd om aan boord te komen van een commerciële harpoenboot voor zwaardvisvangst, reed ik vanuit mijn huis in Connecticut naar Woods Harbour in Nova Scotia. Ik had eindelijk een officiële uitnodiging gekregen en was hier om de boot te zoeken en aan boord te gaan. Terwijl ik over de lange steiger liep, zag ik een boot waar een stuk of tien zwaardvissen werden uitgeladen. Het waren nu slechts grijze hompen vlees, zonder kop en staart, die uit de ijsbakken van de boot werden getakeld en in een vrachtwagen werden geladen. Aan dek stond een oude visser. “Wat brengt jou hier?”, vroeg hij. Ik vertelde hem dat ik net 22 uur had gereden om een zwaardvis te zien die net uit het water kwam, zodat ik hem levensgroot in zijn ware kleuren kon schilderen.
Zwaardvissen hebben ongebruikelijk grote ogen, waardoor ze op grote diepte kunnen foerageren; vergelijking met de foto die de inspiratie vormde voor het schilderij; en hieronder maakt Prosek aantekeningen aan boord van een vissersboot.
“Je hebt de kleur blauw op het land nog nooit zo gezien als de kleur van een zwaardvis”, zei hij. “Als je ooit een meisje zou ontmoeten met ogen die de kleur van een zwaardvis hebben, zou je degene met wie je was verlaten en er met haar vandoor gaan.”
Hij heette Gilbert Devine en hij was de kapitein van The Brittany & James. Zonder dat ik het hoefde te vragen, zei hij dat ik de volgende dag met hem mee mocht voor een week op zee. Ik kon slapen in een kooi waar ze anders de reddingsvesten bewaarden. Na jarenlang geen kans te hebben gekregen om aan boord van een boot te komen, had ik nu twee opties... de uitnodiging van Gilbert (en zijn verhaal) sprak me aan. Hij overtuigde me er ook van dat zijn boot de beste in de vloot was, met de hoogste uitkijktoren om vis te spotten op 20 meter boven het wateroppervlak. En dus sprong ik de volgende dag aan dek.
Als een zwaardvis wordt geharpoeneerd, wordt de kop van de harpoen met een lijn aan een boei vastgemaakt en laten ze hem drijven tot hij dood of bijna dood is. Het is gewoon te gevaarlijk om een zwaardvis levend aan dek te brengen, hij heeft per slot van rekening een speer op zijn neus. Het gevolg is dat als zo'n vis aan boord komt, hij meestal een koperachtige bronzen kleur heeft en niet het zilver en blauw dat hij levend heeft. Gilbert vertelde me dat ongeveer één op de honderd vissen, voordat het dier sterft, op het dek hun echte kleur nog een keer terugkrijgt. Daar hoopte ik op.
We vingen elke dag minstens één vis. Meestal was ik erbij op het moment dat Gilbert het boegplatform (of de 'stand', zoals ze het in Canada noemen) op rende, de harpoen pakte en die op de vis afvuurde. Op dat moment zwom de vis vrij onder hem door en kon ik het ongelofelijke paarsblauw van zijn rug zien waar hij het over had. Maar als de vis eenmaal in de boot lag, had hij een diepe metallic bronzen kleur.
Toen, uiteraard op de laatste dag van de trip, transformeerde de laatste vis van de dag aan dek van de dode bronsbruine kleur naar het levendige platina zilver en het paarsblauw waar Gilbert me over had verteld. Er zijn maar heel weinig zwaardvissers en bijna geen niet-vissers die dit fenomeen hebben aanschouwd: een vis aan dek die zijn levenskleur laat zien, alsof hij nog in het water ligt.
Zwaardvissen hebben prachtig grote ogen. Toen ik in het oog van deze specifieke vis keek, realiseerde ik me dat hij zo groot was dat ik mijn eigen spiegelbeeld erin kon zien, evenals de tuigage van de boot achter me – en daarachter een klein wit licht. Toen ik als kind geobsedeerd raakte door het schilderen van forellen, was het laatste wat ik aan het schilderij toevoegde altijd een kleine witte highlight op het oog. Dat leek het hele schilderij tot leven te brengen, gewoon een klein beetje witte plakkaatverf, net magie. Ik heb me nooit echt afgevraagd wat dat stipje eigenlijk was, wat het voorstelde of waarom het zo belangrijk was, totdat ik in het oog van de zwaardvis keek en me realiseerde dat dat kleine witte stipje de zon was. Na al die jaren staarde hij naar me terug, het vuur dat verantwoordelijk is voor het bestaan van al het leven op aarde, de ster die ons oriënteert in ons zonnestelsel, gevangen in een weerspiegeling die snel zou vervagen.



