De authentieke en tijdloze wereld van Ralph Lauren

Nee, weggooien is zonde!

We hebben allemaal dat favoriete Polo-item dat we al jaren in onze kast hebben hangen, gerepareerd en hersteld waardoor het uniek is geworden en als een tweede huid draagt. Drie schrijvers – Eric Konigsberg, Michael Hainey en Joel Griffith – brengen een ode aan de aankoop van hun leven.

Nee, weggooien is zonde!

We hebben allemaal dat favoriete Polo-item dat we al jaren in onze kast hebben hangen, gerepareerd en hersteld waardoor het uniek is geworden en als een tweede huid draagt. Drie schrijvers – Eric Konigsberg, Michael Hainey en Joel Griffith – brengen een ode aan de aankoop van hun leven.
NO. 1
Een motief voor het leven
Een Polo-colbert met visgraatmotief dat evenveel heeft meegemaakt als degene die het draagt
Michael Hainey schrijft voor Air Mail en is auteur van de New York Times-bestseller After Visiting Friends.

Jaren geleden, toen ik nog op de middelbare school zat, zag ik een reclame van Polo waarin een man een klassieke visgraatblazer van Ralph Lauren droeg. De blazer die tegenwoordig bekendstaat als de RL67. Als opgroeiende tiener in Chicago met vakantiebaantjes bij de lokale supermarkt, waar ik groente en fruit bijvulde, kon ik me die blazer niet veroorloven. Toch ben ik nooit vergeten hoe galant die man eruitzag. Hij oogde zelfverzekerd: een man die goed op weg was in de wereld en bovendien fantastisch gekleed was. Later verhuisde ik naar New York en werd ik redacteur bij GQ. Eindelijk had ik wat meer te besteden, dus ging ik naar de flagshipstore voor heren op Madison Avenue en liet precies die blazer maken: een tan-en-crèmekleurig geweven stof, met twee knopen en een enkele split.

Nooit zal ik het moment vergeten dat de blazer af was, ik 'm op kon halen en voor het eerst aantrok. Ik stond daar even in de spiegel naar mezelf te staren – compleet veranderd! Toen de verkoper vroeg of ik er een tas voor wilde, sloeg ik zijn aanbod beleefd af. “Nee, dank je, ik hou 'm aan.” En zo liep ik over Madison Avenue, stak Fifth Avenue over en wandelde vervolgens door Central Park. Eindelijk had ik het gevoel dat ik erbij hoorde. En sinds die dag is er amper een week voorbijgegaan dat ik de blazer niet heb gedragen.

Voor veel mensen is een navy blazer de enige blazer die ze ooit nodig hebben. Daar ben ik het niet mee eens. Ik heb tweed altijd al ontzettend mooi gevonden, omdat het zo veelzijdig is en omdát het geen marineblauwe blazer is. En het klopt dat ze allebei prima matchen met versleten jeans, maar alleen een blazer met de verfijnde Polo-snit ziet er fantastisch uit in combinatie met de ruwe look van tweed – zowel met als zonder stropdas. Wat mij betreft is er niets zo matig als een marineblauwe blazer zonder stropdas. Het heeft de uitstraling van een sneue afdelingsmanager die wat minder formeel wil overkomen, of een politieke outsider die pretendeert hip te zijn terwijl hij een standaard toespraak op staat te lepelen. Maar de visgraatblazer, in combinatie met een frisse witte button-down, oogt vlot – niet zo suf. Met deze look zie je eruit als een man van de wereld, in plaats van een Vinex-vader. Deze blazer vangt de juiste blikken van de juiste mensen.

Ik kan het weten.

Een aantal jaar geleden, toen ik redacteur was voor GQ, werd ik tijdens een diner toevallig naast Ralph zelf geplaatst. Nadat we waren gaan zitten, voelde ik zijn blik discreet over mijn blazer gaan. Ik werd er nerveus van. Ik droeg de blazer nu al bijna twintig jaar. Ik had 'm altijd aan – naar interviews met personen van wie ik een profiel aan het schetsen was, zoals Clint Eastwood, Keith Richards en Bruce Springsteen. De blazer was mijn versie van het witte kostuum van Tom Wolfe: met mijn stijl wilde ik respectvol overkomen op de mensen die ik interviewde, maar ik wilde ook opvallen. Inmiddels was het door de vele uren dragen net zo geliefd en 'versleten' als een oud spijkerjack, een klassieker met zoveel vlieguren dat de kilometerteller weer op nul staat of een paar jachtlaarzen die boterzacht zijn geworden; en dat was er ook wel aan af te zien. De mouwen hadden rafels bij de manchetten en ik had leren patches op de ellebogen laten zetten om te voorkomen dat ik er doorheen zou scheuren.

Aan het einde van de avond, toen we opstonden, legde Ralph zijn hand op mijn arm en maakte de mooiste opmerking die hij had kunnen maken: “Wat een prachtige jas. Zo eigenzinnig. Waar heb je 'm vandaan?”

Ik glimlachte alleen maar en zei: “Van jou!”

En vervolgens, terwijl hij nog een keer goed keek, vertelde ik hem het verhaal van een jongen die de visie zag die hij lang geleden had gecreëerd en hoe het me raakte dat de dingen die ik die avond had gezien – optimisme, individualiteit, zelfvertrouwen, karakter – hem nog steeds inspireerden.

NO. 2
Een tweede huid
Alleen zijn vrouw kan tussen hem en zijn Polo Oxford-overhemd komen
Joel Griffith is een fotograaf uit New York die gefotografeerd heeft voor GQ Rusland, Esquire Qatar en Town & Country.

Ik kocht mijn eerste Polo Oxford – klassiek blauw met een borstzak – toen ik op de middelbare school zat, halverwege de jaren negentig. Mijn vader stond op het punt om directeur van de FAA (Federal Aviation Administration) te worden en we zouden op korte termijn verhuizen naar Washington, D.C., maar op dat moment woonden we nog in St. Charles, een voorstad van Chicago. De school waar ik naartoe ging was gigantisch, vergelijkbaar met die uit The Breakfast Club. Ik deed aan atletiek, hield van grunge rock, maar werd toch (mede door dat overhemd) uitgeroepen tot 'Grootste kakker'.

Ik heb het na al die jaren nog steeds. Steeds als ik het aantrek, roept het een oude herinnering op: die keer dat ik het in had gepakt om warm te blijven na een veldloop op een koude dag; hoe het telkens naar kampvuur rook na alle kampeeravonturen in de bergen van de Sierra Nevada tijdens mijn studiejaren; alle Pentax-camera's die ik van filmrolletjes had voorzien in de Malibu Hills toen ik als assistent voor fotograaf Bruce Weber werkte en we shoots deden met Elaine Irwin voor een advertentie voor Ralph of met Pamela Anderson voor W magazine.

Nadat ik afgestudeerd was aan het Brooks Institute of Photography, was New York City mijn thuisbasis, maar we waren altijd op reis: Miami, binnen de staat New York, LA, en kriskras door Europa. In die tijd heb ik het op allerlei manieren gedragen: over een T-shirt van Pearl Jam, met opgerolde mouwen en in lagen met flannel; met een korte broek en Chucks; en toen ik voor mezelf begon en met klanten ging dineren in combinatie met een bij Rugby – een voormalig merk van Ralph Lauren met zijn eigen winkellocaties – aangeschafte stropdas en blazer. Met andere woorden, ik droeg het als student en in de jaren voordat ik mijn vrouw ontmoette. En ik draag het nu nog steeds, als getrouwde vader van twee, en als fotograaf met een eigen assistent.

Dat is wat ik zo bijzonder vind aan dit overhemd: het is een collage aan herinneringen en verhalen, waarvan de meeste door de rafels en gaatjes worden verteld: het gestopte gat boven het borstzakje (waar ik iets te vaak rolletjes 120-film in heb gestopt); de stiksels op de mouwen (na steeds weer te zijn opgerold en opgerold én opgerold, begon het te rafelen en ontstonden er scheurtjes). Er zijn verschillende kleermakers aan te pas gekomen om het overhemd in leven te houden; hier wat herstellen, daar wat naaiwerk. Met elke reparatie kreeg het overhemd nog meer karakter, een nog langer leven en nog meer aantrekkingskracht. Tegenwoordig vindt Meryl, mijn vrouw, het ook soms fijn om het overhemd te dragen. Het staat haar echt geweldig. Maar ik kan het niet laten haar eraan te herinneren om er voorzichtiger mee om te gaan dan ik heb gedaan.

NO. 3
Gehuld in kasjmier
Twee kabelgebreide Polo-truien worden onderdeel van het lot van de schrijver
Eric Konigsberg heeft geschreven voor The New Yorker, Esquire en Vanity Fair en is de auteur van het boek Blood Relation, dat hij aan het bewerken is voor televisie.

Het was augustus 2001. De Twin Towers stonden nog fier overeind, de wereld leek – voor ons nochtans – nog in harmonie, hoewel de economie al in een vrije val zat. Ik had zelf net mijn eerste boek verkocht. Op een zaterdagochtend baande ik me een weg door Madison Avenue via de Upper East Side, vastberaden om mezelf te belonen – misschien met een nieuw colbert of een paar goede schoenen. In de flagshipstore van Polo op Madison Avenue raakte ik echter afgeleid door een tafel met daarop een prachtige verzameling kabelgebreide kasjmier truien in de mooiste kleuren: juweeltinten, najaarskleuren en – mijn lot – verschillende verleidelijke pasteltinten.

Ik kocht een koraalrode en een lavendelblauwe, omdat ik ze geen van beide kon weerstaan. Het was gewoon te moeilijk.

De opmerkelijke combinatie van tropische kleuren en de formele elegantie van de truien raakte me op de een of andere manier. Het was alsof ik champagne dronk uit een paardenleren loafer. Extravagante luxe. Toen ik aan het eind van de dag een vriendin de inhoud van mijn tas liet zien, channelde ze mijn gedachtegang en riep: “Recessie? Hoezo recessie? Doe mij er maar twee!”

De twee zijn onverwacht slijtvast en zouden nog minstens een paar decennia mee moeten gaan, maar ze zijn tegelijkertijd ook zó zacht dat ik er in zou kunnen slapen. Ik heb er sindsdien meer gekocht, maar die eerste twee zijn altijd mijn favorieten gebleven. Het gebeurt echt zelden dat ik op reis ga en er niet minimaal eentje meeneem.

Ik heb ze vaak genoeg gedragen om de aankoop ervan ruimschoots te rechtvaardigen. Ik kan mijn leven meten aan de belangrijke momenten waarop ik de ene of de andere droeg: als toeschouwer toen mijn geliefde Nebraska Cornhuskers de nummer 1 in het klassement – Oklahoma – dat najaar wisten te verslaan met een trickplay die de 'Black 41 Flash Reverse Pass' wordt genoemd; de keer dat ik met mijn oudste naar de kraamafdeling ging om zijn pasgeboren zusje te ontmoeten (zes jaar na de aankoop); en toen ik de filmrechten verkocht voor een verhaal dat ik had geschreven, na een hevige strijd tussen vijf bieders, en ontdekte dat mijn favoriete regisseur had meegeboden (tien jaar na de aankoop). In een van de truien werd ik ontslagen, maar had ik (misschien door de gewaagde kleur) in elk geval de tegenwoordigheid van geest om mijn baas te vertellen dat ze een domme fout beging. Ooit droeg ik er een naar kantoor bij The New York Times op wat ik dacht dat een dag zou worden waarop ik gekluisterd aan mijn bureau zou zitten voor telefonische verslaggeving, totdat een redacteur me naar Harlem stuurde voor een interview met een langzittend congreslid dat plotseling op het punt stond de Commissie van Middelen en Wegen van het Huis van Afgevaardigden over te nemen. In de deuropening van zijn kantoor stemde hij ter plekke in met het interview en zei dat ik die middag met hem mee mocht tijdens zijn overwinningsronde door de stad.

“Die trui spreekt me aan”, zei hij. “Hij straalt uit dat je zelfvertrouwen hebt.” Middelen en wegen, dat in ieder geval.