De authentieke en tijdloze wereld van Ralph Lauren
november 2025
RL/Cultuur

Lof voor beroemde schuren

Ze tekenen het landschap, torenen boven ons uit met stoïcijnse grootsheid, gaan te snel aan ons voorbij als we ze passeren en zijn sinds de eerste Polo-fotoshoots een geliefde achtergrond. Dit is een ode aan de tijdloze wonderen van eerlijk en hard werk, elk met zijn eigen charme en rustieke karakter die ons eraan herinneren wie wij zelf zijn.
Wat is het toch met schuren? Toen ik klein was, keek ik vanuit mijn slaapkamerraam uit op de melkveehouderij van de buren: 70 hectare glooiende weiden en maïsvelden, grazende zwart-witte Holsteiners, en een charmant, met houten planken betimmerd woonhuis. Het mooiste van alles was de witgeschilderde schuur – een imposante kolos van onbekende leeftijd, maar met een onbetwistbare waardigheid die aandacht en respect afdwong. Hij regeerde over zijn omgeving met eerlijke eenvoud, met een vleugje adellijkheid. Een schuur – of die nu staat in de vruchtbare velden van Pennsylvania, waar ik opgroeide, op de vlaktes van Wyoming, in de Texas Panhandle, of in de uitgestrekte achtertuin van Californië’s Central Valley – heeft de kracht om het landschap te bepalen en te ordenen. Hij staat symbool voor het snijvlak van menselijke inspanning en natuur, zoals de bescheiden glazen pot die op een bergtop wordt geplaatst in Wallace Stevens’ beroemde gedicht Anekdote over een glazen pot: “De wildernis beklom de pot, omarmde hem, niet langer wild.”
ONDER BESCHUTTE HEMEL
De Tate Barn in de Heber Valley van Utah werd gebouwd in 1902 en staat nog steeds aan de voet van de Wasatch Mountains, als symbool van groei en mogelijkheden.
Voor Amerikanen roepen schuren een heel spectrum aan betekenis op. Ze bieden onderdak aan net zo veel symboliek, herinneringen en verbanden als dat er ooit hooibalen of koeien in hebben gelegen. We razen er in onze auto’s aan voorbij terwijl de kinderen naar Olivia Rodrigo luisteren. Soms merken we ze op, soms niet. We nemen ze voor lief en raken toch op slag verliefd. Als we wél kijken, vergapen we ons aan hun postuur, aan de manier waarop ze integriteit en authenticiteit uitstralen, en hoe ze ons verbinden met een agrarisch verleden van vakmanschap, noeste arbeid en dingen doen zoals het hoort. Schuren zijn eenvoudig en zonder opsmuk, maar nieuwere, geliktere dingen steken er vaak vergankelijk en oppervlakkig tegen af.
Schuren zijn volkskathedralen, en hun ontwerp deelt dezelfde wortels als die verheven bouwwerken. Ze ontstonden ongeveer duizend jaar geleden in Noord-Europa en Groot-Brittannië. De Engelse benaming ‘barn’ komt van het Oudengelse bereærn, een samenstelling van bere (gerst) en ærn (huis of verblijfplaats) – precies wat het was: de plek waar men het graan bewaarde – waarmee men de tienden afbetaalde en dat mens én dier de wintermaanden door hielp te komen. Het schuurontwerp vond zijn weg over de oceaan naar Noord-Amerika, waar het misschien wel de meeste variatie en expressie vond: van steen of hout, rood geverfd of ongeschilderd, met of zonder overhangende hooizolder. Behalve hun alomtegenwoordigheid van kust tot kust, heeft elke schuur nuances in stijl, inventiviteit en eigenaardigheid, zonder dat er een duidelijke geografische lijn van oost naar west kan worden getrokken. En schuren zijn niet alleen voor nostalgici. Ook modernisten bewonderen ze. “Ze zijn eigenlijk de meest pure vorm van structurele architectuur – 200 jaar voordat de structurele beweging ontstond,” legde meubelmaker Sam Moyer uit de Hudson Valley me uit, “omdat hun volledige constructie zichtbaar is in plaats van verborgen.” In mijn regio, de Brandywine Valley, hingen in bijna alle huizen wel aquarellen van schuren uit de omgeving – of dat huis nu in 1774 of 1974 was gebouwd. We woonden aan de rand van Amish Country, een walhalla van schuren: een streek die bekendstaat om de bouwwerken (en het bouwen ervan), waar fraaie exemplaren staan te pronken, versierd met kleurrijke kompasrozen. De symbolen hebben overigens geen magische krachten, maar zijn ‘gewoon voor de sier’, zoals men graag uitlegt aan niet-Amish. Ik herinner me uit mijn jeugd vooral de tabaksschuren van de Amish, met de planken aan de zijkanten opengezet zodat de enorme bladeren konden drogen. Thomas Wolfe schreef over dit soort schuren in Look Homeward, Angel: “Hij dacht aan de grote schuren van Pennsylvania, het rijpe, doorbuigende gouden graan, de overvloed, de orde, de zuinige spaarzaamheid van de mensen. En hij dacht aan hoe hij eropuit was getrokken om orde en status voor zichzelf te verwerven, en aan de opstandige verwarring in zijn leven – de vlekken en waas van de jaren – en zijn verkwiste, vurige jeugd.” Ik las die woorden voor het eerst in een Amtrak-trein onderweg naar Montréal. Ik was negentien destijds, en de woorden raakten me toen al diep. Nu, op middelbare leeftijd, voelen ze nog dichterbij.
Voor Amerikanen roepen schuren een heel spectrum aan betekenis op. Ze bieden onderdak aan net zo veel symboliek, herinneringen en verbanden als dat er ooit hooibalen of koeien in hebben gelegen.
Schuren, dat zijn wij. Al eeuwen komen we als gemeenschap samen om schuren te bouwen. In de climax van de film High Noon wordt een schuur in New Mexico in brand gestoken – een visueel spektakel. Toen Levon Helm, de drummer van The Band, zijn studio bouwde in Woodstock, New York, deed hij dat in de vorm van een schuur: een intieme en sfeervolle concertruimte waar bezoekers tot op de dag van vandaag graag komen. “Whose barn, what barn, my barn,” zong Jerry Lee Lewis – pure Amerikaanse rock-’n-roll-poëzie. Schuren sieren niet alleen het Amerikaanse landschap, maar ook de taal. Iemand zonder manieren is ‘in een schuur geboren’. Een eenvoudig of voor de hand liggend doelwit ‘raak je aan de zijkant van de schuur’. Een spannende basketbalwedstrijd die wordt verlengd, is een ‘barn burner’. En als iemands gulp openstaat, zegt men ‘je schuurdeur staat open’. In het schilderij Christina’s World van Andrew Wyeth staat een schuur op een heuvel in Maine, verleidelijk dichtbij en toch onbereikbaar ver weg: de beschutting tegen een onzichtbare storm. Een andere schuur uit Maine is bij alle kinderen bekend: die uit Charlotte’s Web van E.B. White, het huis van de spin Charlotte, het varkentje Wilbur, Templeton de rat en hun vrienden. White kende die denkbeeldige schuur door en door. Hij baseerde hem op zijn eigen schuur in North Brooklin, Maine. “De schuur was heel groot,” schreef hij. “Hij was heel oud. Het rook er naar hooi en mest. Het rook er naar het zweet van vermoeide paarden en de zoete adem van geduldige koeien. Vaak hing er een vredige geur – alsof er nooit meer iets slechts in de wereld kon gebeuren.” En wat schuren en literatuur betreft: overal in het land vind je boekenschuren – oude schuren vol tweedehands en antiquarische boeken, grote ruimtes met ‘niets wat je nodig hebt op een plek waar je niks kunt vinden’. Baldwin’s Book Barn aan de rand van West Chester, Pennsylvania, is er het toonbeeld van: een vijf verdiepingen tellende stenen schuur uit 1822 met een constructie van zware balken, tot de nok toe gevuld met 300.000 boeken en oneindig veel folklore. Altijd als ik weer op het oude nest ben, is dit mijn eerste stop. Het oude Amerikaanse hardhout (het zou zomaar witte eik kunnen zijn) en de vergeelde boeken – van kunst- tot kookboeken, van regimentgeschiedenissen tot eerste drukken en oude reisgidsen – ruiken als het parfum van de tijd zelf.
Als schuren zo’n wezenlijk symbool van het Amerikaanse leven zijn, hoeveel staan er dan nog overeind? In 2012 waagde de voorzitter van de National Barn Alliance een gok: misschien twee miljoen? Dat klinkt misschien als veel, maar een eeuw geleden telde het land 6,5 miljoen boerderijen, en bijna allemaal hadden ze een schuur. Destijds was er voor elke zestien mensen één schuur. Nu is die verhouding 170:1. Ze zijn dan misschien in aantal afgenomen, toch blijven schuren tijdens belangrijke momenten in het leven een rol spelen – voor mij in ieder geval. De bruiloft van een nicht in een grote schuur in North Carolina, compleet met een volksdans. Een oogstfeest in de Leatherstocking Region in de staat New York, waar de door cafeïne opgeladen rockabillyzanger Sleepy LaBeef uit Arkansas urenlang optrad in een schuur. Een 4-sterrendiner met familie in een rode schuur aan de voet van de Smoky Mountains in Tennessee. Mijn dochter, die haar galop oefent in een paardenstal in Florida. In oude krantenknipsels staat geschreven over jaarlijkse reünies van onze omvangrijke Pennsylvaanse familie – altijd in dezelfde schuur. Zoals in 1921 werd opgetekend: “De grote schuur was ingericht met twee lange tafels voor 80 gasten per tafel, en de grote deuren aan weerszijden lieten een koele bries binnen.” Dat jaar kwamen er meer dan 200 mensen. Een ander jaar waren er bijna 600 gasten aanwezig. Ik vraag me af of ze allemaal in die oude familieschuur pasten – en of-ie er nog staat. Het zou van respect getuigen voor de eigenaar en de buurt.
Maar weinig gebouwen onthullen meer over Amerika dan de prachtige Tate Barn, bekleed met het hout van rode dennen, in de schilderachtige Heber Valley van Utah. Hij werd opgetrokken in 1902, maar stortte in 1996 in onder de last van de elementen – vooral sneeuw. In 2002 werd de schuur minutieus herbouwd en kreeg ze haar oude glorie terug. Vandaag de dag staat de Tate Barn weer overeind als een trotse koning onder de schuren. Het is een symbool van gastvrijheid in het Wasatch Mountain State Park, en een monument voor het Amerikaanse Westen. Niet elke schuur heeft zoveel geluk als de Tate Barn en krijgt zoveel liefde en aandacht. Ook die schuren zien we vanaf de weg staan: de doorgezakte daklijn, de aangetaste balken, de ontbrekende dakspanen, een verbleekt Red Pouch-reclamebord op de zijkant. Wankelend maar nog niet gevallen, te duur om af te breken. Een albatros om de nek van de eigenaar, maar óók een magneet voor iedereen die op zoek is naar teruggewonnen hout. Het is bovendien een toonbeeld van waardige vergankelijkheid dat een eigen verhaal van strijdbaarheid vertelt. “Amerika heeft geen adellijke ruïnes,” schreef Eric Sloane, auteur van An Age of Barns, de bijbel voor schuurspotters. Geen Akropolis, geen Pompeï, maar wat het wél heeft, zijn schuren.

Mark Rozzo Is gastredacteur voor Vanity Fair en schrijver van Everybody Thought We Were Crazy: Dennis Hopper, Brooke Hayward, and 1960s Los Angeles (Ecco).