Er was bijna geen tijd meer.
Ik was halverwege de laatste dag van een driedaags vliegvisavontuur in de South Fork van de Snake River, in het vissersparadijs dat bekend staat als de Teton-vallei in Idaho, maar ik moest de prijs waarvoor ik kwam nog binnenslepen.
Vergis je niet, ik had al heel wat vissen gevangen. De eerste tweeënhalve dag van mijn trip waren op allerlei manieren fantastisch geweest.
Op de eerste dag trof ik mijn gids en vriend Tim Warren, een lokale vissersgids sinds zijn hele leven, om 08.00 uur in Victor, Idaho - een charmant bergdorpje met één verkeerslicht en heel veel pick-up trucs, barbecuetentjes en zwarte bandana's dragende Labradors - en hadden we een uur gereden naar de boothelling met de met sneeuw bedekte toppen van de Tetons, de pieken die Ansel Adams ooit had vereeuwigd, op de achtergrond in de verte.
Ik woon en werk in New York City, maar reis meerdere keren per jaar af naar het westen, naar Montana, Wyoming en Idaho, om te vissen. En er is geen betere rivier dan de South Fork van de Snake. De vissen zijn groot en overvloedig aanwezig, het water is kristalhelder en de oevers worden omzoomd door espen en populieren. Op bepaalde delen en op bepaalde dagen bevind je je op de meest wilde en prachtige plek die je je maar kunt wensen, met als enige gezelschap een mama-eland die in de rivier waadt of een zeearend die boven je hoofd cirkelt. Op die eerste ochtend, een prachtige zonovergoten dag, was de omgeving mooier dan ik haar ooit had meegemaakt.
Slechts een paar minuten nadat we onze boot te water hadden gelaten en op pad waren gegaan, wierp ik mijn vlieg uit, een ontwerp dat een sprinkhaan zou moeten imiteren. Ik plaatste hem vlak bij de rechteroever van de rivier, op een plek waar een echte sprinkhaan in het water zou kunnen vallen en keek hoe hij met de stroom mee dreef. Ik zou niet beter hebben opgelet als mijn vlieg een diamanten ring zou zijn geweest die ik overboord had laten vallen. Een deel van wat vliegvissen zo aantrekkelijk maakt, zit hem in de obsessieve focus die ervoor nodig is. De onverdeelde aandacht in het moment die nodig is, verdrijft alle andere gedachten. Daarom word je er ook zo zen van.
Net boven een stuk hout dat in de rivier was gevallen en daar was blijven steken, zag ik een vis omhoog komen naar mijn vlieg, de mond opendoen en aanhappen. En zo had ik zomaar mijn eerste vis gevangen tijdens deze trip. Toen ik hem in het net had, zag ik dat het een koperkleurige Idaho roodkeelforel was van zo'n 40 cm lang - een prachtige vis. Ik hield hem bij z'n staart vast, liet hem los en keek hoe hij weg zwom. Als er een moment is waarop je je meer verbonden voelt met de natuurlijke wereld dan het vangen van een wilde, inheemse forel op een grote, prachtige rivier in het westen, dan moet ik het nog meemaken.
Ik ving die dag misschien nog wel 30 vissen - meer roodkeelforellen, plus een aantal mooie regenboogforellen en flink tegenstribbelende Duitse forellen en behaalde zo een zogenaamde South Fork Grand Slam. Zoals het oude vissersgezegde luidt, het was meer vangen dan vissen. Rond 16.00 uur, zowel om het lot niet te tarten als omdat mijn arm aanvoelde alsof ik net 13 potjes had getennist, besloot ik ermee te stoppen.
Die avond, we waren weer in Victor, genoot ik van een bord vol ribbetjes bij Big Hole BBQ die ik wegspoelde met een paar IPA's van de Snake River Brewing Company, om daarna terug te rijden naar mijn hotel onder de met miljoenen sterren gevulde hemel en lag ik om 21.30 uur al in bed te pitten. De tweede dag verliep min of meer hetzelfde als de eerste - ik ving een haast onnozele hoeveelheid vissen en genoot daarna van een rib eye en whiskey in de stad. En nu, halverwege mijn derde en laatste dag, had ik alweer een aantal mooie vissen gevangen.
En toch, ondanks mijn overvloed aan geluk, zat ik in de stress. Ik had nog steeds geen grote vis gevangen, een echt gedenkwaardige vis, zo een waardoor ik al decennialang naar deze sport en deze plek wordt getrokken.
Als kind werd ik verliefd op het westen van Amerika. Ik ben geboren in de Adirondack Mountains boven in de staat New York en groeide op in een familie van skiërs, die seizoenspassen hadden voor onze lokale berg en op wintersportvakantie gingen naar plaatsen als Aspen, Vail en Park City.
Voor een knul wiens eerste ervaring met bergen de relatief bescheiden pieken aan de oostkust waren, waren de torenhoge, majestueuze Rocky's een openbaring. Na mijn studie verhuisde ik naar Colorado en skiede ik wel 113 dagen per seizoen. Twee van mijn huisgenoten waren fervente vliegvissers die vertelden over lange zomerdagen in kraakheldere stroompjes in Montana, waar ze overdag wilde, inheemse forellen zo lang als je arm vingen en 's nachts bij maanlicht kampeerden onder de weidse hemel. Niet lang daarna, tijdens een vakantie naar Jackson Hole in Wyoming, besloten mijn vrouw en ik om vliegvissen eens te proberen. Ik heb een foto van die dag waarop ik stralend de eerste vis die ik had gevangen vasthoud. Ik was meteen verslaafd.
Sinds die dag heb ik over de hele wereld gevist, maar geen enkele plek had me zo te pakken als het westen van Amerika. Dat zit hem niet alleen in de eenzaamheid, de wilde dieren of de ruige schoonheid. Het is het gevoel van de wildernis, van vrijheid - hoe de enorme schaal ervan ervoor zorgt dat je je klein voelt op de best mogelijke manier. Voor zover ik religieus ben, is vliegvissen mijn evangelie en zijn de met forel gevulde rivieren in het westen mijn kerk.
Weer terug op de South Fork, met nog maar een paar uur te gaan voor ik terug moest naar New York, begon ik te twijfelen aan mijn geloof. Vijftig centimeter is lang voor een forel, maar van de vissen die ik tot dan toe had gevangen was er geen een groter dan die eerste 40 cm lange roodkeelforel en waren de meeste kleiner dan 35 centimeter. Voor een vermoeide, ervaren visser zijn kleine vissen, hoewel ze beter zijn dan geen, gewoon niet zo leuk om te vangen als hun grotere soortgenoten. Vang 50 kleine vissen op een dag en nog voor je van de boot gaat, ben je ze al vergeten. Krijg één reus in het net en die blijft je je hele leven bij.
En zo merkte ik terwijl we stroomafwaarts dreven dat ik maar wat halfslachtig aan het vissen was. Dat was niks voor mij en het was zeker niet waarvoor ik 3200 km had gevlogen naar een van de beroemdste vissersplekken in de Lower 48. Tim zei zelfs niets over veelbelovende plekken in het water en stelde voor om even pauze te nemen en op zoek te gaan naar een plek om te lunchen.
"Klinkt goed," zei ik en wierp mijn hengel nog één laatste keer slordig uit voordat we naar de oever zouden varen om voor anker te gaan.
En toen zag ik het zog richting mijn vlieg gaan. Dat gebeurt niet bij kleine vissen.
Terwijl ik mijn aandacht richtte op het woelige water, ving ik de eerste glimp op van het wezen dat het veroorzaakte. Ik viste op een lang, met kiezelstenen bedekt vlak stuk, waar het water hooguit 20 cm diep was. De zon stond hoog en de rivier was zo helder als een net opgepoetst glas. Terwijl de vis richting mijn vlieg schoot, zag ik zijn rug - zijn lange, donkere rug - die over het vlakke stuk schoot als een onderzeeër. Toen kwam hij omhoog naar mijn aas en slobberde het op.
Na een kort gevecht had ik hem in het net. Het was een Duitse forel met een hoekige kaak, een mannetje, onbetwist de meest gewenste prijs op de South Fork. Hij was 55 cm lang - de grootste in zijn soort die ik in ruim 30 jaar heb gevangen.
Een paar minuten later zouden Tim en ik onze koelbox uitpakken en gaan lunchen. Later, in de auto op weg naar huis, bij een burgertentje in het stadje en waar ik ook maar een gewillig publiek vond, vertelde ik het verhaal - opnieuw en opnieuw.
Maar voorlopig zaten we daar nog onder aan de bergen terwijl de zon op het water scheen en zeiden we geen woord. Er stond een zacht briesje en de espen ruisten.
- FOTO'S VIA GETTY IMAGES
- @ Ralph Lauren Corporation
- FOTO'S VIA GETTY IMAGES



